The Portuguese Connection (2016), Pt. 2 – Luís Lopes


By Guy Peters

In oktober van 2015 berichtten we uitgebreid over onze fascinatie voor (enkele gedaantes van) de hedendaagse Portugese improvisatie. Wat blijkt nu: een forse greep uit de artiesten die we toen aan bod laten komen, verzamelt van 2 tot 4 juni in de buurt van Lissabon voor DESVIO, een driedaags festival dat die scene uitgebreid in de kijker zet met dertien concerten. We zijn van de partij, maar niet voor we nog een aanvulling konden doen op de reeks, met vijf nieuwe delen. Met vandaag de focus op gitarist Luís Lopes.

pc1621Luís Lopes & Jean-Luc Guionnet – Live At Culturgest

Lopes is al geruime tijd actief in en rond Lissabon. Aanvankelijk eerder in de regionen van de rock, blues en punk, maar gaandeweg gaat hij zich steeds intensiever toeleggen op jazzgerichte improvisatie, het vrije werk en noise. Net als o.m. Hernâni Faustino, Gabriel Ferrandini en Rodrigo Amado, heeft hij zijn carrière vooral het voorbije decennium onder de aandacht weten te brengen. Zijn Humanization Quartet (met Amado) en Lisbon Berlin Trio hangen rond in de potige zone waar (free) jazz en potige rock tegen elkaar opschurken, maar Lopes duikt soms ook sterker de abstractie in, zoals met het kwartet Big Bold Back Bone, in duo met Noël Akchoté en een zuivere noiseplaat, die zijn obsessie met radicale klankexperimenten belichaamt.

Een album dat ook in te delen valt in die vleugel van ’s mans werk, is deze concertregistratie uit 2011 met de Franse componist, visueel artiest en saxofonist Jean-Luc Guionnet, die al te horen was op Clean Feed met albums van The Ames Room (met Clayton Thomas en Will Guthrie) en The Fish (met Franse zwaargewichten Benjamin Duboc en Edward Perraud), maar ook in de weer is met akoesmatische muziek, orgelwerken (!) en avant-garde compositie. Op papier al een behoorlijk intrigerende combinatie van geesten, iets dat zo mogelijk nog wordt overtroffen door het resultaat, een tweedelige duik in een wereld waarin alles op losse schroeven wordt gezet.

Het is improvisatie, interactie, die het daglicht schuwt, voorzien van een ijzeren vastberadenheid en discipline, ondanks die indruk van volledige vrijheid. Melodieën komen er amper aan te pas, maar de twee blijven rond elkaar wentelen alsof ze verbonden zijn met een touw dat hen de mogelijkheid geeft om raden af te tasten, maar niet zonder elkaar helemaal uit het oog te verliezen. In “Part I” komt het allemaal nog vrij ingetogen op gang, met lang aangehouden klanken van de altsax en zachtjes opwellende gitaarfeedback. Zeer minimalistisch en geduldig, maar tegelijkertijd met een gestage beweging naar het terrein waarin de feedback steeds agressiever wordt, de snaren ruw behandeld worden en de sax steeds excentrieker gaat klinken, met schril gekwetter, nukkig gezeur en verscheurend gegil.

In z’n meest heftige momenten gaat het om samenspel met een intensiteit die herinnert aan de legendarische duels van Brötzmann en Sharrock, al klinkt Guionnet door die messcherpe altsax meer als een losgeslagen Zorn. De gitaarklanken worden gekapt, gaan horten en stoten met een epileptische onvoorspelbaarheid, worden eigenlijk percussie, en gespiegeld, of net niet, door Guionnets instrument/wapen. “Part II” gaat iets conventioneler van start, of toch met een meer traditionele interactie, met minder de focus noise en feedback en saxslierten die vloeiender zijn, bijna melodieus. Het wordt na verloop van tijd wel wat hectisch, met kronkelige lijnen die door elkaar lopen en repetitief ganzengegaggel van de sax. En als er dan loos gegaan wordt, dan gebeurt het wel met een verdubbelde intensiteit, kervende machinegeweersalvo’s en hysterische kreten. Niet zozeer destructief, als wel met een ontzette, haast wanhopige intensiteit, die uiteindelijk tot rust wordt gebracht, uitdooft als een vlammetje en je zachtaardig weer neerzet, een merkwaardige trip rijker.

pc1622Parrinha | Lopes | Jacinto – Garden

Lopes is alleszins niet op zoek naar een stabiele omgeving om op terug te vallen. Onlangs trok hij een maand lang door Europa voor een resem noise-optredens en een paar ad hoc-concerten. Zo zagen we hem in Rotterdam met Gonçalo Almeida en drummer Rogier Smal een even speels als poëtische concert geven (deels wegens volumebeperkingen), maar er was ook nog de tweedaagse van zijn Lisbon Freedom Unit, waarmee hij in november 2015 de studio in trok en twee optredens speelde. Het nonet bestond uit een paar bekende en minder bekende gezichten uit Lopes’ parcours. Daarbij zaten ook rietblazer José Bruno Parrinha en cellist Ricardo Jacinto, met wie de gitarist al langer een trio vormt. Nu leidt het echter pas tot een echt debuut.

Opnieuw gaat het om collega’s met een achtergrond die afwijkt van die van Lopes: Parrinha is al actief sinds de jaren tachtig, speelde regelmatig aan de zijde van Sei Miguel, in het Variable Geometry Orchestra en het van bezetting wisselende IKB Ensemble, met o.m. Ernesto Rodrigues, oprichter van Creative Sourcess, en een van de andere centrale figuren van de Portugese improvisatie. Jacinto is een architect en geluidsonderzoeker, actief binnen de vrij improvisatie, met uitlopers richting elektroakoestische muziek, avant-garde, maar ook meer traditionele, songgebaseerde projecten. Het leidt alleszins tot een bijzondere combinatie van stemmen en muziek die zich niet zo eenvoudig laat labelen.

Al zou je misschien kunnen stellen dat het uur van Garden ingedeeld kan worden in twee helften. Met in de eerste twee stukken waarbij de sound compacter en coherenter is, de drie dichter bij elkaar blijven, met een soort drone-achtig effect tot gevolg, terwijl de tweede helft bestaat uit vijf kortere stukken die meer losstaan van elkaar. En toch is Garden een lang verhaal, dat maximaal inspeelt op de intuïtie en de verbeelding potentieel op hol doet slaan met die combinatie en voortdurende transformatie en desintegratie van klanken en ideeën, waardoor het een pak gelaagder is dan het album met Guionnet. Mooist van al is misschien opener “1351”, waarin sopraansaxgolven, ontsnappende ruis, percussief gestommel, bijsturende elektronica en aanzwellende en weer wegdeemsterende gitaar- en cellomanipulaties een ongrijpbare sfeer van isolement creëren, met duidelijk te onderscheiden instrumenten, maar bovenal een coherent samenspel. Gehavend, maar harmonieus.

Opvolger “1402” is er de meer extreme versie van, vol pedalengeklik, plotse noise-erupties, overstuurde klanken, golven van semi-industriële kracht en mechanische stuwing. Muziek met een soms genadeloze, gitzwarte verbetenheid, maar daarom nog geen nihilistische kotsstroom, want de hysterische extase slaat op zijn beurt weer om in een meer ingetogen, dromerige koers. Die heen-en-weer-beweging wordt daarna ook aangehouden tussen stukken die het ene moment fragiel en bedachtzaam kunnen klinken met voorzichtige arpeggio’s (“555”), maar erna weer als verscheurde kamermuziek die naar het terrein van elektroakoestische gekte getrokken wordt (“1030”), of naar een grotesk uitvergroten, een wrang onevenwicht waarin blijkbaar alles kapot moet (“744”).

Garden is geen vanzelfsprekend album, lapt de traditionele regels aan zijn laars, sleurt de luisteraar soms mee naar wringende, duistere en obscure oorden, maar doorheen die onheilspellende bewegingen die de zekerheid vanonder je voeten rukken voel je niettemin de focus en interactie als constante factor. Voor wie er niet de volledige concentratie voor kan opbrengen, is dit album een lang, ongemakkelijk uur. Wie echter de sprong wil wagen, wordt deelgenoot van een uitdagende trip die enkel op z’n eigen voorwaarden beleefd kan worden. En dat is een memorabele ervaring, zeker in een verduisterde kamer met een goede koptelefoon in de aanslag.

pc1623Luís Lopes – Love Song

Ook Love Song is een album van de nacht (of misschien de vooravond), maar dan wel van een heel andere soort. Staat een groot deel van Lopes’ releases in het teken van volume, energie en grensoverschrijdende uitspattingen, die dan nog eens gepaard gaan met concerten die soms aanvoelen als extatische rites (bij zo’n noiseconcert kruipt Lopes de hele tijd als een kat rond over de grond, lijkt hij hockey te willen spelen met het instrument, of laat hij gitaar en versterker een paringsdans uitvoeren), dan is Love Song zijn eerste release die zich helemaal buiten die ‘traditie’ plaatst. Het is een soloalbum waarop resoluut voor een andere aanpak gekozen wordt: die van de intimiteit, kwetsbaarheid en puurheid.

Dat betekent in dit geval: geen noise-uitspattingen, geen vervormende pedalen, geen atonaal bruuskeren, geen destructieve incisies en geen hoge volumes. Dat wil echter nog niet zeggen dat Lopes nu een traditionele gitaarplaat gemaakt heeft, of eentje die gemakshalve ondergebracht kan worden in het jazz- of folkhoekje. Nee, dit is nog altijd idiosyncratische, zoekende muziek. Er is geen terugkerend thema of rode draad. Er zijn geen oorwurmen die al dan niet herhaald worden. Er is zelfs geen duidelijke structuur doorheen deze negen stukken. Ergens heb je het gevoel dat hij voor deze thuisopnames wel een idee in het achterhoofd had, een vaag schema, of misschien werkte met enkele basisnotities, maar tegelijkertijd voelt het aan als een suite die hij naar believen kan omgooien, verbouwen, inkorten of verlengen.

Vaste structuur, gemakkelijke patronen, traditionele akkoordenwissels worden overboord gegooid. Wat overblijft zijn dan intuïtie, op de tast bewegende notenreeksen en vooral een poging om de innerlijke beleving van een liefdesrelatie uit te drukken in pure klanken. Love Song is wat het zegt dat het is: een lange reflectie op de liefde. Concreter: een liefde die ooit hard toesloeg en uiteindelijk ook weer ophield te bestaan. Of toch niet helemaal, want Lopes probeert als het ware die hele afgelegde weg, inclusief de subtiele gewaarwordingen, naaktheid, volledige overgave, knagende twijfels, verrassingen en voldongen feiten, terug te vatten en om te zetten in muziek. De versterkte semiakoestische gitaar is het penseel voor een muzikaal liefdesverhaal.

Dat kan monotoon klinken voor ongeduldige oren, want sound, tempo, klankkleur maken geen grote sprongen. Dit is ingetogen, intimistische en vooral erg persoonlijke muziek. Soms met een flard die vaagweg herinnert aan “Fleurette Africaine” of “Laura”, maar vooral met de even natuurlijk aanvoelende, als onvoorspelbare flow van andermans gedachten. Dat zorgt voor een zekere afstand – dit is Lopes’ verhaal en wat je hoort is zijn interpretatie -, maar omdat hij zo bewust ervoor kiest om niet te werken met die vangnetten, heeft het ook een openheid die de luisteraar eigenlijk meer vrijheid geeft. Traditionele songs presenteren vaak een verhaal dat als het ware te volgen valt van introductie tot ontknoping, uitgewerkt tot in de kleinste details. Dat creëert herkenbaarheid, stelt een geconditioneerd oor gerust. Maar laat het open en probeer het te beperken door gevoelens uit te drukken in zoekende melodieën, en je krijgt als luisteraar een inkijk in iemands meest persoonlijke kern en tegelijkertijd een vrijgeleide om zelf te gaan creëren, of projecteren. Love Song moet het niet hebben van goedkoop sentiment of meligheid, maar van betrokkenheid waarin al het overbodige weggevijld wordt en enkele de naakte essentie overblijft.

http://www.enola.be/

Buy

+ There are no comments

Add yours